
06 januari Landbouwjaar 2025: Succes voor veehouders, lage prijzen voor akkerbouwers
“Geen ramp is pas een ramp in de landbouwsector.” Deze ironische uitspraak was het voorbije jaar zeer toepasselijk en dan voornamelijk in de akkerbouwsector. Mondiaal maar ook lokaal werden in het landbouwjaar 2025 dankzij gunstige klimatologische omstandigheden zeer goede opbrengsten behaald bij de meeste akkerbouwgewassen. De wereldwijd hoge opbrengsten van granen, suikerbieten en lokaal van aardappelen en groenten hebben de voorraden laten stijgen met sterk gedaalde prijzen tot gevolg. De handelsspanningen tussen de grote mogendheden in de wereld bemoeilijken bovendien de verhandeling van deze stocks op de wereldmarkt.
De markten van de dierlijke producten lieten in het landbouwjaar 2025 gelukkig een veel beter beeld zien. Zowel voor de melkvee- als de vleesveehouders was 2025 een jaar met zeer goede prijzen. Dit geldt ook voor de vlees- en legkippenhouders. In de varkenshouderij lagen zowel de vlees- als de biggenprijzen in 2025 onder het niveau van de topjaren 2023 en 2024 maar nog steeds ver boven het niveau van het crisisjaar 2021.
Landbouwjaar 2025 was uitstekend voor de veehouderij
Voor de melkveehouderij zal het landbouwjaar 2025 de boeken ingaan als een uitstekend jaar. Ten opzichte van 2024 zagen we dalende voederkosten en stijgende de melkprijzen. Dit wordt geïllustreerd door de grafiek van het “voersaldo per koe per dag”. Het voersaldo is het melkgeld met daarvan de voederkosten afgetrokken. Tijdens de lente en de zomer zat het voersaldo gedurende meerdere maanden boven de € 13 per koe per dag, wat zeer hoog is.
Hoewel het voersaldo momenteel nog steeds op een hoog niveau zit, zien we wel dat het langzaam afneemt. Uitgedrukt per 100 kg FPCM volgt het voersaldo duidelijk de daling van de melkprijs. Per koe blijft het saldo voorlopig echter relatief stabiel, dankzij een hogere melkproductie. Het verschil tussen de top 25% en het gemiddelde bedraagt nog altijd bijna € 2 per koe per dag. Dat betekent een kloof van € 4 per koe per dag ten opzichte van de minst presterende bedrijven. Voor een melkveebedrijf met 100 koeien loopt dit verschil op tot meer dan € 145.000 voersaldo op jaarbasis.
De melkprijs/voerprijs ratio (verhouding tussen de melkprijs en de voerkosten) blijft, zoals in vorige periode, de laatste maanden stabiel op een hoog niveau, maar ook hier zien we een dalende trend. Wanneer we naar het verloop kijken van deze ratio is het goed om in gedachten te houden dat 2023 gemiddeld was en 2024 een goed jaar was voor de melkveehouderij.
Bij jaarrond een melkprijs/voerprijs ratio van boven de 2 spreken we over een zeer goed jaar. Schommelt de ratio tussen de 1,7 en 2, dan is het een goed jaar. Melkveehouders krijgen meer zin om te investeren wanneer deze ratio meer dan 2 bedraagt. Zodra deze ratio onder de 1,5 zakt, merken we dat meer bedrijven kampen met liquiditeitsproblemen. 2025 is dus een goed jaar, maar voor 2026 zal deze ratio terug zakken. Het blijft belangrijk als melkveehouder om de liquiditeiten te bewaken.

Ook de vleesopbrengsten namen sterk toe door hogere prijzen voor slachtkoeien en kalveren. De slachtkoeien zijn gemiddeld €700 per dier duurder dan in 2024 en de kalveren ongeveer €150 per dier duurder. Dit is zeer mooi meegenomen voor de melkveehouderij en essentieel voor de vleesveehouderij. Ook voor de vleesveehouderij was 2025 dus een jaar met nooit eerder geziene hoge prijzen voor kalveren, koeien en stieren. Sinds het begin van de zomer van 2025 zijn de prijzen naar recordhoogtes gestegen. Deze hoge prijzen zijn geen lokaal fenomeen, ook in de rest van de wereld zijn de prijzen voor slachtvee extreem hoog.
De verklaring hiervoor is het aantal stuks vleesvee dat mondiaal nu al een aantal jaren aan het dalen is omwille van diverse redenen. In onze contreien denken we dan vooral aan regelgeving en stoppende vleesveehouders, elders in de wereld zijn er redenen van droogte en ziektes.
Wat met het landbouwjaar 2026 voor de melkprijzen?
Voor de melkprijzen in 2026 zijn de vooruitzichten minder rooskleurig. De melkproductie blijft wereldwijd groeien, wat druk zet op de melkprijs. Sinds september 2025 is de melkprijs zeer snel gedaald. De oorzaak voor de lagere melkprijs ligt bij de sterk gedaalde boter- en poedernoteringen. Voor de eerste helft van 2026 wordt nog een verdere daling van de melkprijs verwacht want de huidige melkprijs ligt nog steeds boven de theoretische melkprijs op basis van de boter- en melkpoederprijzen.
Herstel van de markt is nog onzeker en wordt ten vroegste in de tweede helft van 2026 verwacht.
Akkerbouwsector is het slachtoffer van zijn eigen succes
Met Fegra-tarweprijzen die zich sinds de zomer tussen de € 155 en € 170 bevinden, moet de graanteler het met veel minder doen dan dat hij de laatste jaren gewend was. Ook de prijzen van de droge korrelmaïs wijken niet veel af van de tarweprijzen op de internationale markten. Gelukkig waren in ons land de opbrengsten van beide gewassen in het landbouwjaar 2025 voor de meeste regio’s uitstekend, waardoor het financieel rendement per hectare nog enigszins aanvaardbaar was.
De oorzaak voor de lage graanprijzen moet niet ver gezocht worden. Na jaren van mondiaal dalende voorraden zien we dit jaar een productie die boven de consumptie uitkomt waardoor de eindvoorraden opnieuw stijgen. Daarnaast lijkt ook de oorlog in Oekraïne geen impact meer te hebben op de grondstoffenprijzen.
Eindvoorraden granen nemen opnieuw toe

Ook voor andere akkerbouwgewassen zoals aardappelen, suikerbieten, uien en heel wat groenten was het landbouwjaar 2025 een jaar met topopbrengsten. Voor deze teelten wordt vaak gewerkt met contracten bij de verwerkende industrie maar dat neemt niet weg dat ook van deze producten de bewaarplaatsen uitpuilen. Het lijkt hierdoor nu al duidelijk dat de arealen van deze producten bij ons maar ook in de rest van Europa zullen dalen. Een groot deel van het areaal dat hierdoor vrijkomt, zal opgevuld worden met korrelmaïs en wintertarwe dat door de gunstige omstandigheden tijdens het najaar massaal ingezaaid werd. Beide teelten hebben het voordeel dat ze zelfs bij zeer hoge producties een zekere afzet hebben.
