16 februari Maïsteelt op biologische bedrijven

De biologische landbouw vraagt een specifieke benadering en die verschilt van de gangbare landbouw. De grootste uitdaging bij bioveehouderij zit in het telen van ruwvoeder zonder de inzet van gewasbeschermingsmiddelen. Zeker voor de maïsteelt is dit niet evident en het belang van een aangepast ras is niet te onderschatten. Het gezaaide ras moet namelijk zowel veevoedkundig als teelttechnisch passen voor gebruik in de biologische veehouderij.

Teelttechnisch

Naast opbrengst zijn een aantal specifieke kenmerken zoals jeugdgroei en snelheid van bodembedekking belangrijk voor de biomaïsteelt. Andere kenmerken die ook belangrijk zijn in de gangbare maïsteelt, zijn legervastheid, builenbrandtolerantie en droogtetolerantie.

Voederwaarde voor het biologische rantsoen

Rantsoenen op biologische veebedrijven bevatten vaak een groot aandeel grasklaverkuil. Grasklaver brengt veel ruw eiwit aan waarvan een groot deel onbestendig is. Het is belangrijk om via een goede maïsrassenkeuze veel zetmeel aan te brengen in het rantsoen. Uiteraard is ook verteerbaarheid een belangrijke voederwaardeparameter voor biomaïs.

LG 31.224 en LG 32.257: LG-biomaïsrassen

LG 31.224 (FAO 210):

LG 31.224 (FAO 210) is gekend als een ras zonder fouten. Dit vroegrijpe ras heeft een goede legervastheid en een uitstekende tolerantie voor builenbrand. LG 31.224 is gekenmerkt door lange, bladrijke planten met grote kolven. Het resultaat is een zetmeelrijke en uitstekend verteerbare maïskuil voor de dieren.

LG 32.257 (FAO 225):

LG 32.257 is een dubbeldoel-ras met een uitstekende droogtetolerantie. Dit Hydraneo-ras blinkt uit op het gebied van jeugdgroei. Als dubbeldoel-ras kan de LG 32.257 zowel gehakseld als gedorst worden. Als kuilmaïs is LG 32.257 rijk aan onbestendig zetmeel

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en ontvang onze nieuwtjes in je mailbox.

    privacy Beleid.